Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers

Rechtstreeks naar inhoud gaan

Frank Volmer

MOLENAAR: We praten in de context van een perssector waarvan de geluiden over het algemeen negatief zijn en vandaar ook de opdracht aan de commissie om te onderzoeken hoe de stand is van de sector en of de overheid daar een rol in zou moeten spelen. Kan je misschien schetsen wat de ontwikkeling specifiek voor de Telegraaf zijn op dit moment?

VOLMER: Ja, ik moet even zeggen dat ik enerzijds verantwoordelijkheid voor de Telegraaf heb, maar anderzijds verantwoordelijkheid voor alle journalistieke werken binnen Telegraaf Media Groep (TMG), dus de uitgeefgroep waarbinnen ook de regionale dagbladen van de TMG-groep zit, waarin Spits zit, waarin een merk als Geen Stijl zit en nog een aantal andere journalistieke merken, dus het is verschillend per product, de staat. In zijn algemeenheid kan je zeggen dat de advertentiemarkt natuurlijk heel erg tegenzit, dat geldt met name voor de personeeladvertentiemarkt en in iets mindere mate voor de andere advertentiemarkten. Dat merk je op een enorme manier, natuurlijk het meeste bij die producten die uitsluitend afhankelijk zijn van de advertentiemarkt, zoals bijvoorbeeld bij Spits het geval is of bij internet ook hier en daar het geval is. Bij de kranten zie je dat de lezersinkomsten nog wel redelijk stabiel zijn, maar je ziet ook daar een heel licht dalende trend over de hele markt heen. Dan kan je zeggen dat je het met je titels net even iets beter doet dan het geheel, maar je ziet op de lange termijn een dalende ontstaan en de advertentiemarkt , daarin spelen eigenlijk twee dingen: enerzijds conjunctureel economisch dat het gewoon slechter gaat en dat je dat dus merkt, anderzijds is er echt structureel iets aan de hand, omdat een hele grote groep advertentiecategorieën echt verplaatst zijn naar andere platvormen, als bijvoorbeeld internet als het gaat om alles wat met vraag en aanbod en classified, vroeger hadden we geloof ik 24 pagina’s met autospeurders in de Telegraaf staan, ondertussen zit er nog een half paginaatje in met een aantal professionele dealers die nog wat dingen hebben staan, voor de rest is er niemand meer die zijn auto aanbied in de Telegraaf en dat is logisch als je dat op zes andere plekken gratis en effectiever kan doen.

MOLENAAR: Dus je hebt het over twee structurele trends; structurele trends aan de advertentiekant en structurele trends aan de lezerszijde. Als we over dat laatste beginnen; in welke sectoren binnen jullie concern komen daar de klappen het hardst aan, die je producten in gevaar komen?

VOLMER: Wat je ziet is het volgende: als het gaat om wat we doen met onze journalistieke producten is gewoon de basisfunctie van de journalistiek in de samenleving en die verpakken wij sinds honderd jaar in kranten, of soms meer dan 100 jaar in kranten, nou, die behoefte aan datgene wat we doen, die zal wel blijven bestaan, maar je ziet in ieder geval dat het model van het betalen van die kranten en het door de brievenbus stoppen van die krant dat dat in hoge mate onder druk staat omdat buiten deze twee economische trends die ons onder druk zetten, je tegelijkertijd allerlei kostenverhogende maatregelen ziet. Wat je natuurlijk merkt is dat als je groot bent, zoals bij de Telegraaf, dat dat effect in je begroting natuurlijk vele malen kleiner is dan als je klein bent. Dus waar je het het hardste merkt is daar waar je kleinere titels die in bepaalde gebieden zitten, bijvoorbeeld de Gooi en Eemlander is een Leids dagblad, is een krant die in een klein gebied uitkomt met een betrekkelijk lage oplage en daarin merk je natuurlijk dat het veel moeilijker is om die kosten op een goede manier terug te verdienen, schaalgrootte speelt op een enorme manier een rol, vooral als je ziet dat je die lezersmarkt niet meer kan, dat daar de marktgroei uit is, ja, dan is het enige eigenlijk wat er nog gebeurt dat je min of meer ten koste van elkaar daar marktaandeel kan winnen. Dat is natuurlijk ook wat er gebeurd is de afgelopen tijd, wij zijn in een beperkt aantal jaren, zijn we gehalveerd in aantal klantentitels in Nederland, wat er met het Utrechts Nieuwsblad en het AD gebeurd is, is natuurlijk niet voortgekomen uit luxe, dat gebeurd ook omdat het bij elkaar brengen van die titels en vinden van oplossingen waarin we rompkranten met regiokaternen enzo gaan maken, daar neemt het aantal titels van af. Is dat erg? Dat weet ik niet, ikzelf kijk daar misschien anders naar dan veel andere mensen in de branche. Mijn stelling is dat consumenten hebben helemaal geen behoefte aan kranten en het voortbestaan van kranten is ook helemaal geen doel op zich. Kranten doen iets in de samenleving en doe iets met mensen en de functie van wat ze in de samenleving doen, dat is belangrijk en mensen hebben behoefte aan informatie, duiding en opinie en dat zal ook wel blijven, want dat is van alle tijden, dat heeft gewoon, dat is basis van marketing, Mazlov of zoiets, nadat je gegeten hebt, dan wil je veiligheid of contact en zelfontplooiing en daar speelt informatie, duiding en opinie allemaal een rol in. Ja en dat doe je met televisie, met internet of met je telefoon of wat dan ook en als bedrijf moet je zorgen dat je op tijd migreert naar iets anders. Ja en als er over honderd jaar geen kranten meer bestaan, dan denk ik bij mezelf: De dinosaurus bestaat ook niet meer, tenminste niet echt vleselijk en daar zijn weer allemaal andere mooie dingen voor teruggekomen. Dat neemt niet weg dat we in onze organisatie ons best moeten doen vooral zolang mogelijk te zorgen dat je die dingen doet waarmee je geld blijft verdienen omdat er wel een aantal dingen aan de hand zijn als het gaat om hoe zorg je dat je die functie die je blijft uitoefenen en de behoefte die je wilt vervullen voor consumenten, of je dat kan doen op een economisch haalbare manier. Daar moet je wel creatief zijn. En in die zin, ik vergelijk het wel eens met de platenindustrie, daar hebben natuurlijk heel lang mensen zitten kijken naar: Hoe zit dit nou? En ondertussen is er iemand anders die zit bij zijn agent en die doet, die heeft gewoon al een oplossing bedacht en die heeft niets te maken met wat hij moet beschermen en die gaat dus harder en ondertussen ga je een beetje zitten toekijken en word je de conducteur op de paardentram als je niet oplet, die zich boos maakt over dat er ondertussen taxi’s rijden.

RUTTEN: Er zijn heel veel mensen die denken dat de functie van duiding en journalistiek dat die heel erg aan dagbladen en pers gebonden is en dat met het verdwijnen van, of het minder belangrijk worden van dagbladen, de journalistiek en ook die functie uitgehold wordt. Jij zegt heel duidelijk: Dat blijft wel bestaan in een andere vorm. Kun je dat wat concreter maken hoe je die ontwikkeling dan ziet, wat komt en hoe je daar als concern op inspelen, want op een gegeven moment zie je natuurlijk met het verdwijnen van de functie van dagbladen of opiniebladen in die markt, komen andere diensten op. Er zijn twee dingen: wat doet dan de sector en wat gebeurt er met die duiding?

VOLMER: Nou, de vraag is even: wat veroorzaakt nou precies die functie in de samenleving en waarom doe je dat nou precies? Uiteindelijk gaat het denk ik dat pluriformiteit, de functie die dat in de samenleving heeft, daar moeten we heel erg goed naar kijken of de markt in staat is dat zelf in stand te houden. Waar wordt die door veroorzaakt? Door journalistieke kernen die zich bezighouden met ook echt die verdiepingsslag te maken. Daarin is journalistiek vind ik ook een soort containerbegrip waarin enerzijds dingen die je gewoon overschrijft van iets en nieuws en iets wat feitelijk gebeurt en verslag van legt, of dat je zegt wat is hier nou precies aan de hand, hoe is dit nou gekomen, hoe kan ik dit nou uitleggen. Als er niet een financieringsvorm is die ertoe leidt dat je een journalist naar en rechtszaak stuurt om te kijken hoe het zit of naar een gemeenteraadsvergadering of zich in de achtergronden van de corrumperende macht verdiept of whatever, ja, dan ga je dat dus ook niet boven water trekken. De vraag is even: wie doen dat nou eigenlijk allemaal in Nederland, dat is natuurlijk geen domein wat exclusief aan kranten ligt, Elsevier doet dat ook, maar ook een radioprogramma als Argos doet dat en Netwerk, EénVandaag en Zembla enzovoort, die zijn daar natuurlijk ook mee bezig. Er zijn een aantal journalistieke kernen, daarvan is een deel privaat gefinancierd en een deel publiek. Dat is ook hetgeen waarvan ik bij mezelf denk: Jongens, probeer alsjeblieft op te rekken en te kijken naar het totale speelveld en hoe in dat totale speelveld alles met elkaar verband houdt, want als je er naar blijft kijken als van: Hé ik heb hier papier en dat gaat in de brievenbus enzovoort en dat heeft niets te maken met wat er daar op de radio gebeurd of wat er op internet gebeurd of wat er op televisie gebeurd, dan kijk je er zo eng naar en dan ga je jezelf ook echt in de problemen brengen. Mijn stelling is dat de journalistieke kernen, privaat gefinancierde journalistieke kernen, het meest bedreigd worden door publiek gefinancierde journalistieke kernen die op allerlei terreinen de rollen aan het innemen zijn en die eigenlijk de markt daar verkleinen en daar heb ik mij in het verleden ook heel erg bood over gemaakt.

MOLENAAR: Daar komen we zo ook nog even op terug, even een stapje terug t.a.v. wat je zei, er zijn voorbeelden van producten van jullie die wat in zwaarder weer verkeren vanwege hun schaal. Laten we nou eens een kleine gemeente pakken waar nu nog een publicatie verschijnt en waar die publicatie zo meteen niet meer is. Een aantal van die journalistieke kerntaken die zijn redelijke belegd, maar hoe zit dat dan met die wethouder in die kleine gemeente, zie je die nog als de schaal niet meer voldoende is om een publicatie te rechtvaardigen in zo’n gemeente. Is er dan wel voldoende controle op zo’n wethouder? Is dat nou een probleem voor ons allemaal of niet?

VOLMER:De vraag is even, laten we een willekeurig voorbeeld in ons eigen concern nemen: het Leidse Dagblad. Het komt in de omgeving Leiden uit, vervult daar z’n regionale functie gecombineerd met landelijke nieuws, verpakt dat, stopt dat in een krant, maakt ook nog een internetsite van en daarvan staat de financiering op een enorme manier onder druk. De vraag is natuurlijk: is het voor de journalistieke uitoefening van die duiding enzovoort belangrijk dat je dagelijks verschijnt of is een Leids weekblad ook een vorm waarin je die waakhondfunctie van die je in de samenleving hebt, op een goede manier zou kunnen doen of kan je naar nog weer andere oplossingen waarbij je wat meer hybride wordt, zo zijn we ook aan het experimenteren met Alphen CC (???) zoiets waar we een krant hebben die minder dagen per week verschijnt omdat we kijken of dat een model zou zijn en zo vind ik dat het gewoon een bedrijfsverantwoordelijkheid is om te zoeken naar de manier waarop je dat doet en uiteindelijk moet je een construct vinden, waarin je de journalisten kan betalen om die functie te blijven uitoefenen en de markt daarin, als jouw klanten het niet meer willen betalen of je niet meer de aandacht van die klant aan adverteerders kan verkopen, dan is er dus gewoon geen businessmodel en dan heb ik echt niet het gevoel dat je dan hulp van de overheid in moet gaan roepen om te kijken of je dat toch overeind kan houden, want als de behoefte er niet meer is, dan gaat het ook niet met subsidie werken.

MOLENAAR: Je noemt specifiek de verantwoordelijkheid van het bedrijf, de bedrijfstak. Als ik zo van buitenaf er naar kijk zijn er momenten waarop je zou kunnen zeggen: is deze bedrijfstak in de afgelopen jaren wel vernieuwend en agressief genoeg geweest in het voeren van zijn operatie, want waar we nu staan, hadden we niet wat eerder andere afslagen kunnen nemen, zou je eigenlijk kunnen denken. Zouden we niet agressiever in kostenmodellen kunnen zijn, efficiency, in druk en natuurlijk ook in distributie. Zijn er ook niet gewoon wat kansen gemist in de branche?

VOLMER: Ja, absoluut. Punt 1 is de branche ongelooflijk verwend geweest als een soort erfenis uit de karteltijd. Dat is natuurlijk een van de laatste kartels die opgeheven is omdat er zowel aan de consumentenkant als aan de adverteerderskant gemaakt mochten worden. Die zijn pas ergens in de jaren ’80 –’90 is de wetgeving pas veranderd, dat is volgens mij dodelijk voor het innovatieve vermogen, want dan heb je iets van; Okee, de wereld zit zo in elkaar zoals ie zit en iedereen kan daar blijkbaar mee leven en kan daar blijkbaar van leven en als dat dan ook nog gepaard gaat met dat er vreselijk veel geld uit die advertentiemarkten blijft komen, dan gaat het innovatieve vermogen van bedrijven onder druk en als ik gewoon even heel simpel op mijn bedrijf en mij persoonlijk kijk en ik zou de tijd terug mogen draaien, dan zijn er wel een paar kansen waarvan ik bij mezelf denk: He, ik meen me te herinneren dat ik dat, we zijn met veel dingen bezig geweest waarvan je moet uitvinden hoe dat werkt en dan merk je dus gewoon dat op een zolderkamertje door een paar mensen sneller de slimmere ideeën bedacht worden dan in grote bedrijven die voor het grootste gedeelte van hun tijd bezig zijn met hun bestaande business te doen. Overigens denk ik dat er veel voorbeelden zijn van dingen die we daarin goed gedaan hebben. Ik geloof ook dat er veel dingen zijn. In veel bedrijven is er ongelooflijk veel geëxperimenteerd in trial and error en het is achteraf nu te zien waar de businessmodellen naartoe lijken te gaan en waar dingen goed landen is het natuurlijk heel erg makkelijk om te zeggen van: Ja maar, had je niet als Telegraaf Marktplaats moeten hebben? Nou, ik kan je vertellen dat we echt ons best hebben gedaan om daar te komen, maar dat iemand anders het natuurlijk gewoon beter gedaan heeft, klaar. 1-0 voor de ander, jammer, maar moet je niet gaan zitten huilen. Wat dat betreft is het dat ook gewoon, je bent aan een wedstrijd bezig en je probeert dat zo goed mogelijk te doen, maar je kan niet alle wedstrijden daar winnen.

MOLENAAR: Nou zijn er wel een paar zaken waarvan de geluiden ook nu nog zijn van, je zegt van we komen uit een verwende positie, een luxepositie met hoge marges naar een wereld onder de huidige conjunctuur die wat zwaarder onder druk staat en dus komt het structurele probleem wellicht nu naar boven. Nu nog hoor ik mensen zeggen van de directies van de mediabedrijven, specifieker de krantenbedrijven, die staan eigenlijk niet open voor percentages van -40% in een sector, iedereen gaat uit van -4% gewoon, gedurende 10 jaar en als gevolg daarvan worden nu niet de rigoureuze keuzes gemaakt die eigenlijk gemaakt zouden moeten worden. Is dat iets wat je herkent?

VOLMER: Als ik naar ons bedrijf kijk, dan denk ik dat er zorgvuldig en goed ingegrepen moet worden, je moet natuurlijk ook niet de takken afzagen waar je op zit. De meeste van onze producten zijn gewoon heel winstgevende producten en producten die een wat minder perspectief hebben voor de langere termijn, die in ieder geval binnen ons bedrijf minder goed gedijen die zijn we op dit moment aan het vervreemden, zo hebben we een aantal tijdschrifttitels hebben we van ons vervreemd omdat we denken dat daar op de lange termijn, wij in ieder geval niet in staat zijn daar geld aan te verdienen. En zo zullen we altijd naar ons productportfolio kijken en zeggen van: welk product moeten we op welke manier aanpassen en daar horen kostenreducerende maatregelen bij en dat betekent dat we in arbeidsplaatsen moeten ingrijpen, dat we slim naar samenwerking op het gebied van backoffice kanten moeten gaan kijken of distributie of drukken en heel erg goed kijken of we dat allemaal zo efficiënt mogelijk kunnen gaan doen. Ik denk dat we enorme slagen maken en dat je heel erg elk bedrijf zelf de verantwoordelijkheid moet nemen om de juiste balans te vinden tussen de vraag of je stukjes met de kaasschaaf doet of dat je dat met de hakbijl doet. Ik denk dat wij dat, ik kan niet voor andere concerns spreken, maar ik denk dat wij dat op een manier doen die ons in staat stelt om op een goede manier die markt te blijven bedienen.

MOLENAAR: Laten we in zijn algemeenheid over de markt, je maakt een vergelijking tussen de kaasschaaf en de hakbijl. Je ziet over de afgelopen jaren dat er structureel bezuinigd is, dat er toch in de hele branche gekaasschaaft is, zo je wilt. Als je niet zou uit kijken met op basis van last-in-first-out-principes in bijna letterlijke zin ook een verouderde bedrijfstak. Dat is een beeld wat weleens wordt opgeroepen. 1. Is dat feitelijk aan de hand, dus is dat jouw beeld ook, misschien ook jouw positie van het Telegraaf-concern versus de andere daar een opinie over geven, in de tweede plaats zijn we daarmee, als dat zo zou zijn, zitten we daarmee, zit de bedrijfstak niet echt in een supergevarenzone, als dat zo is gebeurd.

VOLMER: Ik denk absoluut dat er kranten zijn die het slachtoffer worden van hetgene dat je net beschrijft. Er zijn kranten die gewoon te laat, niet snel genoeg, waarschijnlijk ook niet de kwaliteit en de kennis en de kunde hebben om op tijd op een goeie manier naar hun proces te kijken. Dat er heel veel bedrijven zijn waar nog teveel beschermend gekeken wordt naar ’We moeten alles, alles moet zo blijven als het is’ en nog aan het vechten zijn voor de krant, terwijl ik bij mezelf denk: Nee, vacht nou gewoon voor je journalistieke functie en voor datgene wat nodig is om dat goed te doen. En dat kan in veel gevallen ook vele malen efficiënter. Dat zie je ook, ons advertentieproces bijvoorbeeld, daarin hebben i.p.v. dat we met heel veel mensen aan het werk zijn, zijn we daar heel slim bezig met het digitaliseren van allerlei processen. Aan de lezerskant precies hetzelfde, als mensen hun krant niet bezorgd krijgen, dan zat er vroeger een callcenter met 200 mensen om de telefoontjes aan te nemen, tegenwoordig werken we met IVR-systemen, met internetsystemen die direct aangesloten zitten op onze distributie-organisatie die klantvriendelijker zijn en die zorgen voor enorme kostenreducties. Daar moet je slim in zijn, ook aan redactiekant. En natuurlijk zitten daar, je merkt met name aan de journalistieke kant dat daar een bepaalde, dat het heel moeilijk is in die relatie tussen uitgevers en redacties om een goede, transparante discussie met elkaar te hebben over van ‘Wat is er nou precies nodig om dat te doen wat nodig is om onze lezers te behouden en de functie die wij willen hebben uit te voeren. En daarin merk je in zijn algemeenheid dat er een heleboel oude-school-journalistiek aanwezig is in zijn algemeenheid waarin mensen denken dat alles wat we schrijven is uniek en daar moeten vooral mensen met commercie en marketing enz. naar kijken, die moeten daar verre van blijven, nou als je niet zorgt dat je een relatie met redacties hebt waarin je goed praat over ‘wat is er nou precies nodig, wat doe je nou precies, wat maakt nou echt het onderscheidt, wat is nou hetgene wat jij doet versus wat anderen doen’. Als je die dialoog niet in je uitgeverij op een slimme en verstandige manier voert met de mensen, dan ga je in enorme problemen komen. Maar die problemen heb je dan echt aan jezelf te danken.

RUTTEN: Je noemt ‘oude-school-journalistiek’, wat zou dan nieuwe-school-journalistiek zijn?

VOLMER: Volgens mij moet je heel erg goed kijken naar, we hadden het net even over ‘Ben je in staat om mensen naar de gemeenteraadsvergadering te laten gaan’ of naar de rechtszaak, zich te verdiepen in dit, enzovoort. Echt nieuws uit die samenleving te halen, maak nou eens een onderscheid tussen de plek in de organisatie waar je bezig bent, dit verzamel ik want dat is er al en dat stop ik bij elkaar, dat is echt geen hoge school-journalistiek zeg maar, dat is opletten en zorgen dat je de juiste dingen bij elkaar brengt, daar hoef je geen journalistieke opleiding voor te hebben. Maar om te zorgen dat je je echt verdiept in de samenleving, dat er uit trekt, dat op de juiste manier presenteert en daar de diepte ingaat, daar moet je in investeren. Ik denk dat er heel veel plekken zijn, in het verleden met name bij regionale kranten merkte je dat er een soort van hiërarchie is onder journalisten, je begint in de buurt en als je later groot bent, dan mag je naar Den Haag of zoiets. Of internationaal, of correspondentschap in het buitenland enzovoort. Ik heb weleens gezegd dat de regionale kranten de hiërarchie precies andersom zouden moeten hebben, je begint maar met verzamelen uit de wereld en als je later groot bent, dan mag je in de buurt naar het gemeentehuis want volgens mij is het journalistieke principe nog steeds dat de belangstelling sneller afneemt met concentrische cirkels om zichzelf, dus juist zoek die lokaliteit en die regio op. Dat staat natuurlijk een beetje op gespannen voet met het economisch model , dus moet je heel goed kijken, wat doe je nou aan de buitenkant van die journalistiek precies en hoe ga je dat nou op een slimme manier organiseren. Daar moet je innovatief in zijn, hoeveel mensen moeten daar dan zitten. Als je dan te maken hebt met de macht van een hoofdredactie die zodanig is dat ze zeggen ‘Blijf er met je poten vanaf want wij doe dit gewoon met 300 mensen en dat blijven we tot in lengte van jaren met 300 mensen doen’, ja, dan heb je wel een fundamenteel probleem. Maar dat probleem, ja, als uitgever en redactie elkaar gevangen houden in dat probleem niet met elkaar op te lossen, daar helpt geen overheidsingrijpen aan, dan ga je kapot.

23:23

RUTTEN: Je zou in die discussie ook nog een keer de advertentiemarkt kunnen brengen, want je hebt natuurlijk redactie en uitgeverij, dat gaat over hoe richt je je product journalistiek in, waar liggen de verantwoordelijkheden. Maar je hebt natuurlijk voor een deel die lezersmarkt die je bedient, maar voor een anderzijds is er een advertentiemarkt die ook iets van je vraagt. Als je dat element in die en er een driehoek van maakt met adverteerders, lezers, redactie plus uitgever, hoe ziet het er dan uit, dat gesprek bijvoorbeeld met een redactie?

VOLMER: Ja, ook daarover, ik heb het langste een Telegraafverleden, daarin merk je dat we altijd over dat onderwerp goed hebben kunnen praten. Uiteindelijk is wat je in de krant opschrijft en wat morgen in de krant staat, dat is des hoofdredacties. Maar de keuze over welke thematieken breng je, breng je meer of breng je minder, die kunnen wel degelijk advertentie gedreven zijn. Ik geloof dat wij al sinds 1980 of 1975 maken wij de reis-, woon- en vaarkrant , dus allemaal supplementen die naast dat er toets plaatsvindt: is dit voor lezers interessant, wel degelijk ook een toets hebben: is dat een markt waarin wij denken adverteerders te kunnen bedienen en zo zie je dat het hele katern, dat denken en themadenken dat zich dat ontwikkelt en dat heeft zijn grenzen. Daar is een hoofdredacteur voor om die grenzen te bewaken want op het moment dat je het maken van de krant aan commercianten (bedoeld commerciëlen) overlaat, dan weet je 1 ding zeker, dan vervreemd je lezers van je en dan heb je helemaal niets meer te verkopen aan adverteerders, dus daarin zit de grens. Dat is de taak van de hoofdredactie en de uitgever om te zorgen dat je die balans vindt. Beweegt dat gebied? Ja, dat beweegt wel en dat merk je dat dat onder invloed van dingen, bijvoorbeeld die op televisie gebeuren, ook daar zie je natuurlijk dat er ander grensgebieden zitten en dat het voor consumenten soms echt onduidelijk aan het worden is van wanneer is iets nou een journalistiek onafhankelijk verhaal en wanneer is iets nou een commerciële boodschap en ik vind ook zelf dat je heel erg voorzichtig moet zijn bij het betreden van dat veld. Maar je moet ook oppassen dat je geen speelbal wordt van wat ik noem de PR-bureaus die gewoon met zijn allen slimme dingen zitten te bedenken van ‘weet je wat, als we nou dit onderzoek doen naar dit, naar de ontwikkeling van weet ik veel wat, de toestand van de huid van de jonge vrouw zus-en-zo en dan zijn we met dit smeerseltje zus-en-zo bezig en dan lees je ineens zo’n artikel wat via het PR-bureau is binnengekomen en dat PR bureau gaat vervolgens de redactionele stukjes zitten opmeten en in hun verslag naar de klant zeggen ze: Kijk eens, voor zo weinig geld heb ik zoveel voor u gegenereerd. Als je met je redactie praat over dat PR bureaus dat op die manier doen, ja, dan krijg je daar ook een besef van: Ja wacht even, daar moeten we ook niet de speelbal van worden. Voor iedereen zal dat anders zijn, voor elk krant zal dat anders zijn, ik denk zelfs dat binnen een krant dat dat weer anders is, we merken dat wij bijvoorbeeld met het magazine Vrouw wat we hebben, dat we daar een andere mores hebben dan gewoon onze voorpagina gaat. Als ze morgen glassplinters in de flesjes Heineken zitten, dan moet onze opening gewoon zijn dat alle Heineken-flesjes teruggehaald moeten worden en dan moet er niemand op de redactie denken: O, is het wel of niet een adverteerder. Als zoiets gebeurd dan is het gewoon het fundament van je functie in de samenleving is weg en dan heb je geen bestaansrecht meer. Dus ben je klaar. Maar dat je in Vrouw niet op een slimme manier met een samenwerking over cosmetica enzovoort kan kijken hoe kan ik daar wel, net als Libelle en Margriet dat doe, want dat is een andere functie in de samenleving. Dat zit gecombineerd in datgene wat wij verpakken en een krant noemen, maar dat is natuurlijk meer dimensies in één.

27:21

MOLENAAR: Eén stapje terug nog naar de branche. Sinds jaar en dag wordt er gesproken over gemeenschappelijke distributie van kranten, waarom komt dat er maar niet van?

VOLMER: Ik denk dat het heel erg te maken heeft met een beetje een soort van migratie over het denken, over het concurentioneel voordeel van distributie in de markt. Kijk, laat ik even heel simpel zijn, de Telegraaf moet zeven dagen per week in elke straat van Nederland zijn, want er is minimaal wel 1 huis in elke straat waar de Telegraaf gelezen wordt en dat is van Groningen tot Vlissingen en Maastricht en Den helder, elke dag elke straat van Nederland. Dat betekent dat als je daar toch moet zijn, dan ga je proberen dat zo efficiënt mogelijk te organiseren. Dan zijn er een aantal andere concerns die zijn ondertussen met meerdere titels gaan samenwerken, want dat is al noodzakelijk, want voor Trouw, die moet niet in elke straat van Nederland zijn, maar die moet wel in elke gemeente van Nederland zijn. Trouw zou het in zijn eentje nooit lukken om een businessmodel te kunnen maken waarin hij zelfstandig zou distribueren, dat is gewoon onmogelijk, want je krijgt niet in een cyclus van een nacht 100.000 kranten betaalbaar in elke gemeente van Nederland en de Telegraaf lukt het wel om met zo’n groot aantal dat te doen. Dan kan je eigenlijk twee strategische routes kiezen, dan kan je enerzijds zeggen: Jongens, wij hebben hier een uniek distributieapparaat met kwaliteit X, gaan wij nu vragen Jongens, kom maar bij ons want dan gaan wij jullie distributie ook doen, dan worden partijen dus afhankelijk van ons. Of we zeggen Nee, we gaan met zijn allen al die expertises inbrengen. Nou dan krijg je een hele discussie met elkaar, dat heeft vreselijk lang geduurd over van ‘Wat is de kwaliteit als Wegener dat doet, wat is de kwaliteit van hoe PCM dat doet, wat is de kwaliteit van hoe wij dat doen. We hebben een experiment gedaan, in Utrecht zijn we met het Gemeenschappelijk Vervoer Bedrijf zijn we bezig, wat wij nu zien is dat dat ons allerduurste gebied is. Daar waar wij nu gezamenlijk bezorgen, dat is relatief voor de Telegraaf het allerduurste gebied waar wij aan het bezorgen zijn. Wat je dus merkt is dat je een enorme onderhandelingsdiscussie met elkaar krijgt met de vraag: Wie heeft nou precies welk voordeel aan die distributie? Degenen die toch al in elke straat van Nederland moet zijn, moet die nou het voordeel hebben? Een ander zegt: Nee, maar het is eigenlijk een soort van socialistisch beginsel, wij moeten allemaal de kosten van distributie voor elke individuele krant net zo groot zijn. Daarvan zeg je: Maar da’s leuk, als ik morgen een nieuw dagblad wil beginnen, dat ik dus die infrastructuur die andere partijen in de afgelopen tijd hebben opgebouwd, in één keer openstel voor. Nou, dit is eventjes het politieke speelveld waarin deze discussie plaatsvindt. Wat je merkt is dat er wel een soort van migratie plaatsvindt waarin je zegt: Als wij, pluriformiteit van de pers, meerdere kranten met zijn alleen echt belangrijk vinden en niet zeggen we willen gewoon survival of the fittest, in ons eentje overleven en iedereen in Nederland moet maar de Telegraaf lezen, dan zie je wel dat we ondertussen elkaar wel gaan vinden, maar het zal altijd spannend worden op dat onderwerp, waar gaat welk voordeel nou precies vinden en wat worden de entry barrières voor een nieuwe partij die daar dan inkomt en wat is daar dan de prijs voor.

MOLENAAR: Maar wat maakt Utrecht duurder voor jullie? Wat is dat precies?

VOLMER: Simpelweg, dat weet ik eigenlijk niet eens precies, omdat dat GBB een organisatie is waar ik niet precies inkijk, maar wat ik zie is dat wij gewoon kijken per 1000 gedistribueerde kranten, betaal ik bij GBB gewoon meer dan je in de rest van Nederland betaalt.

MOLENAAR: Maar dat kan de schaal van die proef zijn.

VOLMER: Ja, de schaal van die proef, of slechte onderhandelingen over de manier waarop daar de kosten verdeeld zijn en dat is ook het dilemma wat je zal gaan krijgen, zoals mogelijkerwijs al bekend is, wordt er op dit moment al gesproken met de verschillende partijen: Wegener, PCM, TNT, NDC om te kijken naar wat kan daar een toekomstig model zijn. Het allerbelangrijkste is eigenlijk dat iedereen zich zorgen maakt over snappen we lange termijn continuïteitsafhankelijkheid van dit fenomeen. Als je dit kunstje niet goed doet, dan de allergrootste bedreiging van je relatie met je lezer is de continuïteit van de bezorger. Je kan een keertje een hele slechte krant maken, je kan een keer een krant maken zonder advertenties, je kan een keertje, je kan allerlei fouten maken, maar drie dagen achter elkaar de krant niet bezorgen en je abonnee zegt op. Dus als je dat stukje van je keten niet onder controle hebt, dat is de allerergste fout, dat is erger dan een journalistieke fout op je voorpagina zeg maar. Dat laatste is ook heel erg en kan ook weleens een keer een opzegging opleveren, maar gewoon in een gebied. We hebben het weleens gehad hoor, dat in een gemeente het zodanig was dat we gewoon echt een aantal wijken niet hebben kunnen bezorgen, dat betekent dat je dus gewoon binnen een aantal dagen tientallen procenten van je abonnees kwijt bent. Overigens is het dan meestal zo dat die mensen naar een andere krant toegaan en die heeft in datzelfde gebied dan meestal dezelfde problemen, dus merk je dat je later wel weer in staat bent die lezers weer opnieuw aan je te binden zodra je de problemen opgelost hebt. Maar je komt nooit meer op het niveau waar je was. Dus je zakt met 30% en als je het zaakje op orde hebt, dan haal je weer 20% terug, maar ben je wel 10% kwijt. Daar kan ik niet tegenop komen.

MOLENAAR: Plaats dit aspect wel in het kader van pluriformiteit van de media, ze hebben een belang dus daarbij om dit voor elkaar te krijgen, ik neem aan ook dat daar de gedachte in mee speelt de lange termijn ontwikkelingen van de krant, dat dat een keer een noodzaak gaat worden, zelfs een keer voor de Telegraaf om dat een keer te doen, wellicht.

VOLMER: Sterker nog, die hobbel hebben we al genomen, alleen dat neemt niet weg dat als je met die partijen om de tafel gaat zitten, je gaat dan praten over hoe gaan nou precies de indirecte kosten verdeel worden, wat worden nou de entry barriers voor kleine partijen, wat moet nou iemand betalen die in een klein gebiedje dat doet. Je kan je voorstellen dat wij, in Limburg heeft de Telegraaf een veel minder grote positie dan in de Randstad, de Limburger en het Limburgs Dagblad die zijn daar de dominante partijen. Daarin is het logisch dat zij de voordeligste distributie hebben en dan zijn wij blij dat we kunnen meeliften, want dat zijn hele dure exemplaren omdat je weinig kranten in een gemeente moet doen. Andersom is het zo dat andere kranten in een gebied waar wij heel erg sterk zijn, dat voordeel hebben. Dat moet je even goed met elkaar uitexcerseren om te zorgen dat je tot een reële verdeling komt, waarbij het wel zo is dat er een relatie moet zitten tussen schaalgrootte en titels, zeg maar.

MOLENAAR: Zie je dat autonoom partijen tot een oplossing kunnen komen?

VOLMER: Het moet, want als de markt daar niet zijn werk doet dan ga je daar uital zien.

MOLENAAR: Zou de overheid daar nog, dat nog kunnen versnellen, dat proces?

VOLMER: Nou, ik weet niet of de overheid, dat proces is nu bezig en ik denk dat als de overheid zich ermee gaat bemoeien in dat proces, dan zou ik me kunnen voorstellen dat het vertragend werkt. Ik denk zeker dat het een eh, als het niet tot resultanten komt, dat de overheid aangelijnd zal moeten blijven om te kijken of je dat in de gaten kan houden. Wat natuurlijk echt speelt is dat je aan die kant, ik vind de discussie over subsidie en overheid en moet die betalen voor infrastructuur. Er zijn twee plekken waarop ik bij mezelf denk daar zou ik het een reële gedachte vinden om financieel te stimuleren, dat is aan de distributiekant en aan de onderwijskant zeg maar, maar aan de distributiekant met alle respect voor gebaren van 8 miljoen, dat is op de schaal wat distributie in Nederland kost ik weet niet of je daar dan ook nog allerlei dingen voor moet rapporteren over hoe je dat doet, dan ben je dat waarschijnlijk alweer kwijt, want het gaat echt over totaal andere bedragen dus. En ik denk dat als de overheid heel erg belangrijk vindt om te zeggen Jongens, maar wij vinden dat we zo lang mogelijk de kranten die functie moeten later vervullen in die samenleving, zou ik me kunnen voorstellen dat je op het gebied van distributie financieel helpt met de infrastructuur neer te zetten.

RUTTEN: Wat zou dat totaalbedrag ongeveer zijn, als je alle distributiekosten van alle kranten zou optellen? Orde grootte?

VOLMER: Ik heb de cijfers niet helemaal, 600 of 700 miljoen euro, die, zeg ik even uit mijn hoofd. Wat het totaalbedrag is dat we daarin investeren, maar dat cijfer is anders, dat is zo boven water te halen, maar ik heb het nu even niet op mijn netvlies zitten.

36:34

MOLENAAR: Toch vanuit de branche niet dat als een primair signaal gekomen, we hebben dat vanuit de NDP gehoord, de BTW verlaagd tarief of helemaal afgeschaft, we horen zaken als Google, maar dit verhaal van distributie komt niet echt naar boven.

VOLMER: In zo’n NDP daar zit je met een heleboel partijen en daar heeft iedereen zijn eigen prioriteiten en dan komt er een brief met een heleboel punten, volgens mij stond distributie, is dat ook echt wel een onderwerp daarin geworden. En er zijn naast financiële maatregelen, paradepaardjes van alles partijen en probeer je daar een consensus over te krijgen. Mijn belangrijkste dingen zijn: als je financiële hulp hebt, moet je het op het gebied van distributie doen, maar dan fundamenteel door te zeggen: we nemen 50 % van de kosten of iets dergelijks en we zorgen dat we daar helpen die infrastructuur op een goede manier neer te zetten, dat zou ik me kunnen voorstellen. Dingen als de BTW en zo, moet ik heel eerlijk zeggen dat ik die, volgens mij was dat ook nog beperkt met digitale producten ofzo dat ik elke keer bij mezelf kijk, waar hebben we het dan over want het gaat volgens mij helemaal nergens over en natuurlijk kan je dan een soort van principiële discussie voeren over goh, wanneer is iets nou een primaire, in de supermarkt moet ik geloof ik voor suiker 6% betalen en voor een televisie 19 ofzo en nou is een krant dan in de categorie suiker of, ik weet het niet, ik moet heel eerlijk zeggen dat ik nou niet echt het idee heb dat daar de omkering van deze industrie ten gevolge van zal zijn.

RUTTEN: Er is nog een belangrijke kreet die je telkens hoort, namelijk: gelijk speelveld. Daar valt heel veel onder. Van de kant van de uitgevers wordt met name gezegd: Het speelveld is niet gelijk, daar kun je vast iets bij voorstellen, wat is jou invulling daarvan, van dat probleem, van dat speelveld?

VOLMER: Nou, dan ga ik heel even terug naar journalistieke kernen, die zijn er privaat en publiek gefinancierd, mijn grote probleem is dat het speelveld van publiek gefinancierde journalistieke kernen, speelt zich af bij televisie-omroepen, bij radiopartijen, die zitten in de Netwerks en de Nova’s en Argod op de radio en Zembla. Wat gebeurd daar, die journalistieke kernen die dijen op een enorme manier uit, zowel in hun toegang tot de consument en daarmee het innemen van tijd van de consument en alle manieren waarop ze dat doen, dus die pakken allemaal nieuwe digitale vormen. Klein voorbeeldje: wij waren met Telesport, onze sportredactie waren we bezig om rondom de Olympische Spelen in Beijing of wij daar met een aantal digitale dingen wat nieuws konden experimenteren, innovatief bezig zijn te zoeken naar, niet direct dat we denken, daar gaat de kassala van rinkelen, maar de voortdurende zoektocht naar hoe kan je op een juiste manier de consument bereiken en dat we dat ook nog gefinancierd kunnen krijgen. Parallel met dat wij aan de voorbereiding bezig waren, kwam de melding dat de NOS met 10 digitale kanalen tegelijk vanuit Beijing alle sporten ging uitzenden op kanalen die overigens vrijwel niemand bekeken heeft, maar die wel elke ruimte om op zo’n gebied te innoveren gewoon wegnemen. Hoe mooi ik ook alle applicaties die ondertussen door de publieke omroep op dit ding gezet worden vind, concurrentie vindt plaats op de tijdsbesteding van consumenten, die tijdsbesteding staat op een andere manier onder druk, we gaan nu eerder werken tot ons 72ste dan tot ons 62ste, arbeidsparticipatie van vrouwen neemt toe, we staan langer in de file enzovoort. De tijd wordt in die zin krapper, als ik om 7 uur ’s morgens al in de file sta, al die mensen hebben niet eens de mogelijkheid om een krant te lezen, dan moeten we ze via andere platvormen enzovoort bereiken en op al die andere platvormen, daar kom je publiek gefinancierde partijen tegen die nog heel erg ouderwets kijken naar de manier waarop, die hebben het over televisie en internet dan denk ik : Jongens, let alsjeblieft heel even op wat hier gebeurt, dit is niet, dat loopt in elkaar over, ik bedoel die dagbladtijdsbesteding die zie je over de lange termijn zie je die dalen en die daling zal zich echt over vijftig jaar voorzetten en van alles en nog wat onder druk zetten. Wat je ziet is dat de communicatie gaat naar bewegend beeld, die gaat naar schermen en ik noem heel even schermen waarin ik de mobiel een hele kleine televisie noem, maar je mag het ook je computer noemen of whatever en het gaat op zulk soort dingen plaatsvinden. Wat moeten wij doen? Op tijd zoeken naar een slimme manier waarop we hier diezelfde functies die we hebben, om kunnen zetten. Maar als ik dan als ik dit ding aanzet hier gewoon het laatste journaal op ga zitten kijken enzovoort, maar ik krijg tegelijkertijd niet de ruimte om mij daar naartoe te migreren, ja dat is gewoon raar. Wij waren 30% aandeelhouder in SBS, dat was het maximum wat we mochten hebben. Als het aan ons gelegen had hadden we echt 100% van SBS Nederland gehad om te zorgen dat je daar op een slimme manier kan zorgen dat je de consument in zijn gedrag kan blijven volgen, dat je de functie die je hebt in de samenleving kan blijven uitvoeren onafhankelijk van het platform dat consumenten gebruiken. Die ruimte is er eerst een hele tijd niet geweest omdat de wetgever het tegenhield. Nu is de ruimte er in principe alleen nu is de ruimte er markttechnisch niet meer. John de Mol die heeft geloof ik, ik weet het niet precies meer, € 150 miljoen met heel veel kennis en expertise geprobeerd een nieuwe televisiezender neer te zetten, dat is niet gelukt. Ik weet niet precies wat er allemaal de oorzaak ervan is, maar ik weet 1 ding zeker, dat als de publieke omroep met 3 zenders publiek gefinancierd daar niet die dingen deed, dat er meer tijd voor consumenten zou zijn om het te doen en als ze niet tegelijkertijd ook nog eens een keer ruim 200 miljoen uit de advertentiemarkt halen, dat de kans ook behoorlijk wat groter was geweest dat het Talpa wel gelukt was en al;s het speelveld er zo had uitgezien dan hadden we als Telegraaf misschien wel samen met John de Mol dat gedaan, dat is heel wel denkbaar. Dus daarmee bedoel ik dat dat speelveld dus op een hele complexe manier verband met elkaar heeft en samenhang met elkaar heeft en daarin vind ik het zelf een enorme gemiste kans dat als je naar de wetenschappelijke raad van het regeringsbeleid die heeft ooit een keertje dat rapport gemaakt: Focus op functies, daarin werd heel erg teruggegaan in van waarom ben je er eigenlijk, wat doe je en wat is de rol van de overheid i.r.t. wat er in de markt gebeurd. En het bijzondere is dat kijk, toen, ik weet niet meer precies wanneer de radio uitgevonden is en wanneer de radio-omroepen gekomen zijn, volgens mij was dat 1915 of iets dergelijks, voor die tijd werd journalistiek en de rol van journalistiek in de samenleving, werd totaal gedomineerd door kranten. Dat waren de journalistieke kernen, die zorgden dat ze de samenleving, de corrumperende macht en whatsoever in de gaten hielden in alle toonaarden, met de zuilen en elke kant, elke politieke beweging die had zijn eigen krantengeluid en toen kwam de radio en radio veranderde voor het eerst dat speelveld, en wat gebeurde er? Er was ether en er was schaarste in de ether, want als iedereen tegelijkertijd gaat zitten uitzenden, dan wordt het een zootje in de ether, dus dat moet je reguleren. De overheid heeft bedacht: hee, dat gaan we doen, toen zijn er 4 of 5 radiozenders gekomen en dat heeft het speelveld veranderd en dat had ook invloed op elkaar. Toen is er ergens in Eindhoven in 19 weet ik veel wat, 51 een televisie uitgevonden en toen kregen ze precies dezelfde etherschaarste en toen gingen ze vanuit die etherschaarste denken van: Hoe gaan we dat doen? O ja, dat hadden we al een keertje bedacht in 1915 dus weet je wat, radiozenders gaan jullie dan die televisie met elkaar doen en zo ontwikkelde zich dat. Maar we moeten een ding niet vergeten, die schaarste is er nu niet meer, dus wat ooit de reden was om je ermee te bemoeien enzovoort. Moet je nu brengen tot het punt dat je zegt: Wacht even, als schaarste niet meer de aanleiding is, wat is dan de aanleiding? Dat vond ik zelf heel mooi in Focus op Functies, waarin gezegd werd van okee, je kan bijvoorbeeld vanuit een transparantie functie kan je een camera neerzetten in de Tweede Kamer en zeggen: Jongens ik vind dat wat daar gebeurd transparant moet zijn, altijd uitgezonden moet worden, dat moet de overheid financieren, klaar. Je kan dat over nieuws, over cultuur, over weet ik veel wat zitten, maar ik zie werkelijk geen legitimatie waarom Bananasplit of Boer zoekt Vrouw gefinancierd moet worden uit belastinggeld en daar kunnen allerlei redeneringen op losgelaten worden, maar die zijn in mijn beleving gewoon raar en beïnvloeden het speelveld, in dit geval meer voor SBS en RTL dan voor dagbladen, maar het hangt allemaal met elkaar samen.

45:50

MOLENAAR: Als je, als we nou morgen niet de discussie over de publieke omroep kunnen beslechten en dat is een vrij grote kans dat we die morgen niet.. Zie je dan al samenwerkingsvormen tussen privaat en publiek, tussen het Telegraafconcern en de publieke omroep. Los van Wakker Nederland?

VOLMER: Ja, ja, ja, natuurlijk. Maar dat is ook al iets wat we natuurlijk al een behoorlijke tijd doen, recent is die wetgeving weer iets opgerekt dus is er weer iets meer mogelijk. Maar daarin zie je ook dat dat krachtenveld heel ingewikkeld is. We maken op dit moment programma’s die, we hebben een productie-unit, daarin maken we programma’s die bij de Tros uitgezonden worden, trouwens ook bij RTL uitgezonden wordt, dus we hebben daar met John van den Heuvel misdaadprogramma’s die we coproduceren en uitgezonden worden bij de Tros, dus we zijn continu bezig met die zoektocht en die zou veel verder kunnen gaan, natuurlijk kunnen we met gezamenlijke reportages en slimme dingen waarin we kijken van hoe kunnen we dat vormgeven. Is ook een van de drijfveren waarom we gezegd hebben van Dat gaat ook nog allemaal erg ingewikkeld, want dat vinden de mensen bij de publieke omroep ook allemaal dingen van, maar daarin zeg je ook van als er nou een omroep is die nog iets meer van het dna snapt van de dingen zoals wij het doen, dan krijgen we samen werkingsmogelijkheden die wettelijk mogen misschien ook op een goede manier voor elkaar, dat is de reden waarom we ook aan onze lezers gevraagd hebben van: Kunnen we dat dan niet op die manier doen. Dat is de reden daarvan. Wat wij doen is continu kijken naar het speelveld en kijken hoe kan je hier als bedrijf de slimme en juiste keuzes in maken om te zorgen dat je consumenten kan blijven bedienen met datgene wat wij willen doen en dat we dat kunnen financieren richting de markt. Dat willen wij gegeven het wettelijk kader wat er is. Nou,k dat wettelijk kader zit ons op een ongelooflijke manier in de weg als het gaat om deze dingen. Wij zullen blijven zoeken naar die ruimte die er is, om dat dan binnen die curieuze spelregels te blijven doen.

47:54

MOLENAAR: We zitten aan de tijd, heb jij nog dingen die je kwijt wilt?

VOLMER: De discussie over de Googles, dat is er eentje die vaak geraakt is, zo van wat is nou precies de beweging..

MOLENAAR: De achtergrond: de krantenbranche stelde Google auteursrechten schendt, c q misbruikt maakt van de positie de journalistieke kernen, daar advertenties over gooit en profiteert van alle journalistieke arbeid zonder dat ze onderdeel zijn van de keten, zo dat er dus geen geld verdeeld wordt. Is dat een mening die jij ook toegedaan bent?

VOLMER: Nou, wat je volgens mij ook ziet is dat Google wel degelijk op een aantal plekken in de wereld afspraken heeft met krantenpartijen daarover en ik denk dat dit overigens, dit is een partij die een voorsprong genomen heeft omdat andere partijen dat niet in de gaten hadden. En ik denk als je nou ergens de tijdmachine zou willen stappen en 10 jaar terug zou willen gaan, dan zou je waarschijnlijk gezegd hebben van; Goh, dat moeten we zelf doen, want hier heeft iemand iets bedacht wat consumenten fantastisch vinden en waar ook nog eens een keer een verzilveringmodel onder te maken is door daar een advertentieverhaal omheen te maken. Overigens is in Nederland dat succes extreem, in het buitenland zie je dat die positie van Google ook heel erg groot is maar in Nederland is het wat dat betreft ook een extreme situatie. Ik denk dat het ook heel erg belangrijk is dat krantenpartijen niet al te spastisch daarover doen en natuurlijk kan je op nationaal niveau of Europees niveau die dialoog wat met elkaar aangaan over wat mag nou precies wel en niet, maar ondertussen moet je wel gewoon zorgen dat je dat, ze doen niets illegaals o,i,d, ze zijn gewoon een hele goede marktpartij die heel slim acteert en als jij in de discussie vanuit Europa of wat dan ook met Google kan kijken: Hoe kom je nou precies aan je content en wat is nou, waarin wijkt het nou af van de muziekindustrie en hoe zit het nou precies met beeldrecht, Hans Teeuwen is ook gewoon in staat om de filmpjes van Youtube af te krijgen omdat hij dat niet wil. Als ik morgen wil dat de content van de Telegraaf niet meer gevonden wordt door Google, dan kan ik dat, die mogelijkheid is er echt vandaag. En als ik het belangrijker vind om dat te doen, dan datgene wat het me oplevert, omdat ik er ook heel veel verkeer aan te danken heb en daarmee ook weer zelf in staat gesteld wordt om allerlei verdienmodellen te initiëren, daar moet je eventjes de balans in vinden en die slag die moet bedrijf met elkaar maken. Kijk, als je mij de vraag stelt van: als ik even mij ogen dicht doe en morgen zou Google niet meer bestaan, da, dat zou wel prettig zijn, is wel leuk, maar zo zijn er wel meer dingen die als ik mijn ogen dichtdoe voor elkaar zou willen krijgen, dat is, ik denk dat we hier gewoon respect moeten hebben voor een onderneming die het op zich goed doet, maar wel de dialoog met elkaar mogen aangaan en met hen blijven praten over hoe kunnen we dat slimmer doen. overigens, die discussie vind ook wel plaats, maar hoe kunnen we zorgen dat we in staat zijn daar dingen uit te zetten enzovoort.

Terug naar boven

Het gehele rapport direct downloaden kan hier.